Close
Skip to content

Bloedonderzoek: waar wordt je op onderzocht?

Tijdens je zwangerschap krijg je meerdere onderzoeken aangeboden om te kijken of er risico’s zijn voor jou of je kindje. Het bloedonderzoek is één van de eerste onderzoeken. Waar wordt er met het bloedonderzoek naar gekeken en wat zijn de risico’s hiervan?
Bloedonderzoek
BabyBaby

Waarom krijg je een bloedonderzoek? 

Er zijn aandoeningen die jij onbewust kunt hebben en schadelijk zijn voor je kindje. Je krijgt daarom vroeg in de zwangerschap een bloedonderzoek aangeboden. Dit onderzoek spoort eventuele aandoeningen op zodat je hier aan behandeld kunt worden. De risico’s voor je kindje worden hierdoor beperkt. Is er een aandoening gevonden dan wordt de behandeling snel gestart en zal je verloskundige of gynaecoloog jouw gezondheid en die van je kindje gedurende de zwangerschap goed in de gaten houden. 

Wanneer krijg je het bloedonderzoek? 

Omdat behandeling bij een aandoening zo snel mogelijk moet gebeuren krijg je het bloedonderzoek vroeg in de zwangerschap, bij voorkeur vóór week 13. Sommige verloskundigen nemen zelf bloed af. Dit doen ze meestal op de eerste afspraak. Als je verloskundige niet zelf bloed afneemt kun je hiervoor naar een priklab bij jou in de buurt. Je krijgt van je verloskundige een prikformulier mee die je daar kunt afgeven. 

De uitslag van het bloedonderzoek

Je krijgt van je verloskundige of gynaecoloog de uitslag van het bloedonderzoek. Als er geen aandoeningen of bijzonderheden gevonden zijn, krijg je de uitslag tijdens je eerstvolgende controle. Is er een aandoening gevonden dan wordt er telefonisch contact met je opgenomen. Je krijgt vervolgens via je verloskundige of gynaecoloog een doorverwijzing voor vervolgonderzoek of behandeling. 

Waar wordt naar gekeken bij het bloedonderzoek? 

Dus waar wordt je precies op onderzocht met het bloedonderzoek? Er wordt standaard gekeken naar je bloedgroep, of je Rhesus D-negatief of Rhesus c-negatief bent, of je bloed antistoffen bevat tegen bloedgroepen die je zelf niet hebt en of je besmet bent met een van de infectieziekten hepatitis B, hiv of syfilis (lues). Vaak wordt er ook gelijk gekeken naar je hemoglobinegehalte/ ijzergehalte en soms naar je glucose- en schildklierwaarden. 

Bloedgroepen 

Het laboratorium onderzoekt je bloed en kijkt welke bloedgroep je hebt. Heb je tijdens de zwangerschap of bij de bevalling een bloedtransfusie nodig? Dan is het handig als je bloedgroep bekend is zodat er snel geschakeld kan worden. In totaal zijn er meer dan 200 bloedgroepen bekend maar de bekendste zijn die van het ABO-systeem. In dit systeem wordt er onderscheidt gemaakt tussen de bloedgroepen  A, B, AB of O. Ook wordt er onderzocht of je of je Rhesus D- of Rhesus c-negatief bent. 

Rhesus D-negatief

Als je Rhesus D-negatief bent en je kindje Rhesus D-positief kun je tijdens de zwangerschap antistoffen tegen de bloedgroep van je kindje aanmaken. Dit gebeurt wanneer er rode bloedcellen van je kindje in jouw bloedbaan terecht komt. Je lichaam gaat antistoffen aanmaken die via de navelstreng in het bloed van je kindje terecht komen. Deze antistoffen breken vervolgens zijn bloed af waardoor hij bloedarmoede kan krijgen. Dit kan tijdens de zwangerschap gebeuren maar ook pas na de geboorte. Omdat jouw bloed en die van je kindje tijdens de zwangerschap gescheiden zijn, is de kans dat er bloedcellen van je kindje in die van jou terecht komen gelukkig klein. Bij de geboorte is de kans een stukje groter. Je kindje heeft er in dat geval geen last meer van dat er antistoffen worden aangemaakt. Maar bij een eventuele volgende zwangerschap kan dit wel gevaar opleveren als je kindje weer Rhesus D-positief is. 

Slechts 16% van de zwangeren is Rhesus D-negatief. Ben jij er hier één van? Dan krijg je in week 27 nog een bloedonderzoek. In dit onderzoek kijkt het laboratorium naar de Rhesus D bloedgroep van je kindje. In jouw bloed zit kleine hoeveelheden erfelijk materiaal van je kindje dat ze hiervoor kunnen gebruiken. 

Is er uit het onderzoek gekomen dat je kindje ook Rhesus D-negatief is dan hoeft er niks te gebeuren. Als er rode bloedcellen van je kindje in jouw bloedbaan terecht komen ga je geen antistoffen aanmaken. Is je kindje Rhesus-D-positief dan krijg je een injectie met anti-Rhesus D-antistoffen. Deze injectie zorgt ervoor dat de kans erg klein is dat je antistoffen gaat aanmaken als er rode bloedcellen van je kindje in jouw bloedbaan terecht komen. Je krijgt de injectie met anti-Rhesus D-antistoffen in week 30 van je zwangerschap en kort na de bevalling. Dit kan geen kwaad voor je kindje.

Rhesus c-negatief

Ook als je Rhesus c-negatief bent en je kindje Rhesus c-positief kun je tijdens de zwangerschap antistoffen tegen de bloedgroep van je kindje aanmaken. Gebeurt dit tijdens de zwangerschap dan kunnen deze antistoffen via de navelstreng worden doorgegeven aan je kindje en zijn bloed afbreken. Dit kan bloedarmoede bij hem veroorzaken. In een aantal gevallen gebeurt dat al voor de geboorte en soms pas erna. Om antistoffen aan te maken moet jouw bloed wel eerst in aanraking komen met de rode bloedcellen van je kindje. De kans hierop is tijdens de zwangerschap gelukkig erg klein. Tijdens de geboorte is deze kans een stuk groter. Je kindje heeft er dan geen last van. Wel kunnen deze antistoffen problemen veroorzaken bij een eventuele volgende zwangerschap. 

Is er uit het bloedonderzoek gekomen dat je Rhesus c-negatief bent? Dan krijg je ook rond week 27 een extra bloedonderzoek. Het laboratorium onderzoekt of je antistoffen tegen bloedgroepen hebt. Helaas is er niet zoals wanneer je Rhesus D-negatief bent, een injectie om te voorkomen dat je antistoffen gaat aanmaken tegen het bloed van je kindje. Worden er tijdens het bloedonderzoek antistoffen gevonden dan zal de verloskundige of gynaecoloog extra controles inplannen om jou en je kindje goed in de gaten te houden. 

Andere antistoffen tegen rode bloedcellen

Tijdens het eerste bloedonderzoek wordt naast je bloedgroep ook gekeken of je al antistoffen hebt tegen een andere bloedgroep. Deze kun je hebben aangemaakt tijdens een eerdere zwangerschap of bijvoorbeeld als gevolg van een bloedtransfusie. Deze antistoffen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid van je kindje. Worden er antistoffen gevonden dan is vervolgonderzoek nodig om te kijken welke dit precies zijn. Je krijgt hier meer informatie over van je verloskundige of gynaecoloog. 

Infectieziekte

Je bloed wordt ook onderzocht op de infectieziekte Syfilis (lues), Hepatitis B en HIV. 

Syfilis (lues)

Syfilis is een seksueel overdraagbare aandoening die wordt veroorzaakt door een bacterie. Na besmetting krijg je een zweer op de plek waar je besmet bent. Aangezien het een SOA is, is dit vaak rond de penis, vagina, anus of mond. Syfilis is goed te behandelen met antibiotica maar dan moet je wel weten dat je besmet bent. Onbehandeld krijg je last van misselijkheid, hoofdpijn, verlies van eetlust, koorts, spier- en gewrichtspijnen of slapeloosheid. Het gevaarlijke van deze aandoening is dat klachten soms spontaan lijken te verdwijnen en de Syfilis genezen. Toch komt het weer terug en kun je in de tussentijd andere mensen besmetten. 

Ben je besmet dan kan dit in het begin van je zwangerschap geen kwaad voor je kindje. Hij wordt beschermd door de placenta. Onbehandeld kun je later in de zwangerschap je kindje wel besmetten. Daarom is het belangrijk om de behandeling zo snel mogelijk te starten, bij voorkeur vóór week 14 van je zwangerschap. Na de geboorte wordt je kindje onderzocht op Syfilis. Als hij toch besmet is geraakt krijgt hij antibiotica. 

Hepatitis B

Hepatitis B is een ernstige leverontsteking. Deze aandoening wordt veroorzaakt door het hepatitis B-virus en is erg besmettelijk. Je kunt het hepatitis B-virus oplopen door onveilig te vrijen of in contact te komen met besmet bloed. In de meeste gevallen krijg je tussen de 6 en 26 weken na besmetting klachten zoals gewrichtspijn, koorts, uitslag, hangerigheid, leverstoornissen of geelzucht. Het gevaarlijke aan dit virus is dat je niet altijd klachten hebt maar wel andere mensen kunt besmetten. 

Ben je besmet met het hepatitis B-virus dan kun je tijdens de zwangerschap, bij de bevalling of na de geboorte je kindje besmetten. Als je kindje vervolgens Hepatitis B ontwikkeld zal hij waarschijnlijk een ernstige leverontsteking krijgen. Door je kindje binnen twee uur na de geboorte een injectie te geven met kant-en-klare antistoffen is hij de eerste tijd beschermt tegen het virus. Helaas is dit een tijdelijke oplossing. Je kindje moet zelf afweer opbouwen tegen het hepatitis B-virus. Dit kan door je kindje te vaccineren. 

HIV

Je bloed wordt ook onderzocht op het hiv-virus, de veroorzaker van de ziekte aids. Je kunt het hiv-virus, net als het hepatitis B-virus, oplopen door onveilig te vrijen of in contact te komen met besmet bloed. Besmetting met het hiv-virus kan wat milde griepklachten geven maar in de meeste gevallen zal je niet merken dat je besmet bent. Wanneer je na besmetting niet behandeld wordt ontstaat bijna altijd de ziekte aids. Een ernstige ziekte die het afweersysteem volledig ontregeld wat dodelijke gevolgen heeft. 

Ben je besmet met het hiv-virus dan kun je je kindje besmetten tijdens zwangerschap, bij de bevalling en door borstvoeding te geven. Je wordt bij een positieve test daarom door de verloskundige of gynaecoloog doorverwezen naar een gespecialiseerd hiv-behandelcentrum. Hier zal je medicijnen krijgen om het hiv-virus te onderdrukken. 

In een normaal ontwikkelende zwangerschap kun je het hiv-virus niet voor 28 weken zwangerschap aan je kindje overdragen. Afhankelijk van de hoeveelheid van het hiv-virus in het bloed worden zonder medicatie gemiddeld 20-30% van de kinderen tijdens de zwangerschap of de bevalling besmet. Begin je op tijd, dus vóór week 24 van je zwangerschap, met medicijnen dan is het bijna altijd mogelijk om besmetting tijdens de zwangerschap en bevalling te voorkomen. Na de geboorte wordt je kindje onderzocht op het hiv-virus. 

Hemoglobinegehalte/ ijzergehalte

Ook wordt het Hemoglobine in je bloed gemeten. Hemoglobine is een eiwit in je rode bloedcellen dat zuurstof van je longen naar alle cellen in je lichaam brengt. Tijdens de zwangerschap heb je tot wel anderhalve liter meer bloed in je lichaam. Dit is nodig voor de groei van je baarmoeder en placenta. Deze toename zit hem vooral in het bloedplasma in vergelijking met bloedcellen. Hierdoor heb je tijdens de zwangerschap meestal een lager hemoglobinegehalte (Hb) gehalte. Daalt je Hb gehalte onder de 6 dan spreek je van bloedarmoede. In dat geval kun je je duizelig en/of zwak voelen, erg moe zijn of benauwd worden. 

Als bloedarmoede niet wordt behandeld is er een kans op vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. Je bent daarnaast vatbaarder voor infecties. Gelukkig is bloedarmoede goed te behandelen met behulp van ijzerrijke voeding en/of medicatie.

Glucosewaarde

Je glucosewaarde of bloedsuikergehalte kunnen hoger zijn zonder dat je hier last van hebt. Zwangerschapsdiabetes ontwikkelt zich meestal pas na 24 weken zwangerschap. Vaak kan met een verandering in leefstijl zwangerschapsdiabetes voorkomen worden. Daarom controleren sommige verloskundigen je glucosewaarde al bij het eerste bloedonderzoek. 

Kosten bloedonderzoek

Het bloedonderzoek wordt standaard aangeboden en kost je niets. Mochten er tijdens het onderzoek antistoffen of een infectieziekte worden gevonden, is er in sommige gevallen meer onderzoek nodig. De kosten van het vervolgonderzoek vallen onder je eigen zorgverzekering. Afhankelijk van de hoogte van je eigen risico en het type pakket kun je deze kosten helemaal of gedeeltelijk zelf moeten betalen. Overleg in geval van twijfel met je zorgverzekering. 

Is het bloedonderzoek verplicht? 

Het bloedonderzoek is een belangrijk prenataal onderzoek die standaard door je verloskundige of gynaecoloog wordt aangeboden. Je kunt hier aandoeningen vroeg in de zwangerschap mee signaleren en de risico’s voor de gezondheid van je kindje beperken. Maar het onderzoek is niet verplicht. Je beslist zelf of je deze wel of niet wil laten uitvoeren.